Totaalindruk verleden tijd? Het Mio-arrest en de grens tussen het modellen- en auteursrecht
Exit totaalindruk?
Op 4 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijk arrest gewezen in de gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23 (Mio). In deze uitspraak brengt het Hof een duidelijke scheidslijn aan tussen het auteursrecht en het modellenrecht. Hierin staat de vraag centraal wanneer er sprake is van een auteursrechtelijke verveelvoudiging bij werken van toegepaste kunst. Het antwoord van het Hof is hierin helder: het criterium van de ‘algemene visuele indruk’ of ‘totaalindruk’ hoort niet thuis in het auteursrecht. Doorslaggevend is uitsluitend of creatieve elementen van het werk op herkenbare wijze zijn overgenomen.
Werken van toegepaste kunst: dubbele bescherming, dubbele toets?
Werken van toegepaste kunst bevinden zich op het snijvlak van auteursrecht en modellenrecht. Beide regimes bieden bescherming, maar hanteren een verschillende toetsingsmaatstaf. In het modellenrecht staat de ‘algemene indruk’ centraal: maakt het model bij de geïnformeerde gebruiker een andere totaalindruk dan eerder openbaar gemaakte modellen? In het auteursrecht ligt dat anders. Hier gaat het om bescherming van de eigen intellectuele schepping van de maker.[1] De focus ligt hier niet op de algemene indruk, maar op de creatieve keuzes die het werk een eigen karakter geven.[2] Met het Mio-arrest maakt het Hof duidelijk dat deze regimes niet door elkaar mogen lopen.[3]
Geen plaats voor het totaalindrukcriterium
Het Hof oordeelt dat bij de beoordeling van een auteursrechtelijke inbreuk uitsluitend relevant is of creatieve elementen van het beschermde werk herkenbaar zijn overgenomen. Het hanteren van een ‘totaalindrukcriterium’ is volgens het Hof onverenigbaar met het auteursrechtelijke kader.[4] Dit houdt in dat nationale rechters niet mogen volstaan met een globale vergelijking van beide producten. Zij moeten identificeren welke elementen het resultaat zijn van creatieve keuzes van de maker.[5] De implicatie is groot: lidstaten mogen geen auteursrechtelijke toets hanteren die lijkt op de modellenrechtelijke totaalindruktoets.
Onafhankelijke schepping
Een tweede belangrijk punt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat over de mogelijkheid van onafhankelijke schepping. Het Hof benadrukt dat het enkele feit dat een ontwerper stelt dat hij een werk zelfstandig heeft gemaakt, niet automatisch betekent dat er geen sprake kan zijn van inbreuk.[6] De rechter moet in het concrete geval onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van ontlening. Dat wil zeggen: is het latere werk geïnspireerd op het eerdere werk? Dit zorgt voor een zorgvuldige beoordeling van de feiten.
Gevolgen voor de praktijk
Dit arrest heeft duidelijke gevolgen voor de rechtspraktijk. Rechters zullen voortaan preciezer moeten motiveren welke onderdelen van een ontwerp auteursrechtelijk beschermd zijn. Het is dus niet meer toereikend om te stellen dat twee producten sterk op elkaar lijken. Er moet worden gekeken naar specifieke creatieve keuzes. Te denken valt aan bijzondere verhoudingen, vormdetails of unieke combinaties van elementen. Voor procespartijen betekent dit dat zij concreter moeten onderbouwen waar die creativiteit precies in zit (of juist waarom daar geen sprake van is).
Scherpere grens tussen modellen- en auteursrecht
Met dit arrest trekt het Hof een duidelijke grens tussen het modellenrecht en het auteursrecht. Het modellenrecht kijkt naar de algemene indruk van een ontwerp, terwijl het auteursrecht zich richt op de creatieve keuzes van de maker. Door het totaalindrukcriterium uit te sluiten bij een auteursrechtelijke inbreuk, voorkomt het Hof dat beide beschermingsregimes door elkaar gaan lopen. Dat zorgt voor meer duidelijkheid binnen het intellectuele eigendomsrecht. Tegelijkertijd vraagt het om een meer nauwkeurige, inhoudelijke beoordeling. De boodschap is duidelijk: binnen het auteursrecht draait het om creativiteit, niet om een globale vergelijking.
[1] HvJ EU 16 juli 2009, C-5/08, ECLI:EU:C:2009:465 (Infopaq), r.o. 37-48.
[2] HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (Mio), r.o. 49 en 61; P.B. Hugenholtz, 'Cofemel and the originality standard for works of applied art', Kluwer Copyright Blog 2019.
[3] HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (Mio), r.o. 52-54.
[4] HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (Mio), r.o. 87.
[5] HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (Mio), r.o. 65 en 86; zie eerder al HvJ EU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721 (Cofemel), r.o. 29-31.
[6] HvJ EU 4 december 2025, C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (Mio), r.o. 91.
Reacties
Log in om de reacties te lezen en te plaatsen